ACV

10.10.5. Invoering nachtprestaties [1502]

De werknemers die voor de datum van de inwerkingtreding van de wet betreffende nachtarbeid (d.i. 8 april 1998) in een onderneming zijn tewerkgesteld in een andere arbeidsregeling dan een arbeidsregeling met nachtprestaties tussen twintig en zes uur en die vanaf of na de voornoemde datum in dezelfde onderneming worden tewerkgesteld in een arbeidsregeling met nachtprestaties tussen twintig en zes uur, hebben recht op een proefperiode van drie maanden gedurende welke zij een einde kunnen maken aan hun tewerkstelling in een arbeidsregeling met nachtprestaties tussen twintig en zes uur, door middel van een opzegging van zeven dagen. Andere modaliteiten of een andere duur voor deze proefperiode kunnen worden vastgesteld bij collectieve arbeidsovereenkomst.

De werkgever mag geen handeling stellen die ertoe strekt eenzijdig een einde te maken aan de dienstbetrekking vanaf het ogenblik waarop hij in kennis werd gesteld van de opzegging tot het verstrijken van een termijn van drie maanden te rekenen vanaf de werkhervatting in een arbeidsregeling zonder prestaties tussen twintig uur en zes uur, behalve om redenen die vreemd zijn aan dit verzoek om een einde te stellen aan de tewerkstelling in een arbeidsregeling met prestaties tussen twintig uur en zes uur. De werkgever dient te bewijzen dat zulke redenen voorhanden zijn. Slaagt hij niet in deze bewijslast, dan zal hij de werknemer een forfaitaire vergoeding verschuldigd zijn van zes maanden loon, onverminderd de vergoedingen aan de werknemer verschuldigd in geval van verbreking van de arbeidsovereenkomst.

Laatst aangepast op: 04-07-2024