ACV

5.2.6. Anciënniteit

Om te vermijden dat een uitzendkracht zijn anciënniteit zou verliezen telkens wanneer een uitzendopdracht afloopt, bestaat een speciale regeling op het vlak van de berekening van de anciënniteit voor uitzendkrachten. [592]

Voor de toepassing van wetten en overeenkomsten die steunen op de anciënniteit van de werknemer in de onderneming, dient rekening te worden gehouden met de periodes van activiteit van de uitzendkracht bij het uitzendbureau, voor zover die slechts zijn onderbroken door:

  1. ofwel periodes van schorsing van de uitvoering van de arbeidsovereenkomst waarvoor de uitzendkracht onderworpen bleef aan de sociale zekerheid, voor zover hij tijdens de periode niet bij een andere werkgever tewerkgesteld is geweest;
  2. ofwel periodes van inactiviteit van één week of minder. [593]

Indien de uitzendkracht bij de gebruiker tewerkgesteld was in het kader van het instroommotief en vervolgens vast aangeworven wordt door de gebruiker, moeten alle periodes van activiteit die de uitzendkracht in het kader van het instroommotief bij de gebruiker gepresteerd heeft, meegeteld worden om de anciënniteit in de onderneming te bepalen. Dat is niet noodzakelijk het geval indien de uitzendkracht met een ander motief bij de gebruiker werd tewerkgesteld.

De ‘periodes van activiteit’ zijn de periodes waarin de uitzendkracht verbonden is met een arbeidsovereenkomst voor uitzendarbeid in het kader van het instroommotief. Het betreft enkel de dagen van effectieve tewerkstelling en de periodes van schorsing van de uitvoering van de arbeidsovereenkomst. De periodes van inactiviteit tussen verschillende arbeidsovereenkomsten voor uitzendarbeid horen daar niet bij. [594]

Het bovenstaande is echter niet van toepassing op de anciënniteit waarmee rekening wordt gehouden in het kader van de berekening van de opzegtermijnen. [595]

Laatst aangepast op: 04-07-2024