Indien de moeder gehospitaliseerd moet blijven of overlijdt, kan het moederschapsverlof dat de moeder niet heeft opgenomen, door de vader of door de meeouder worden genomen.
Vanaf het ogenblik dat de werknemer zijn werkgever in kennis stelt van de omzetting van het moeder-schapsverlof en totdat een periode van een maand is verstreken die ingaat op het einde van het verlof, mag hij niet door de werkgever worden ontslagen, behalve om redenen die vreemd zijn aan dit verlof.
Met een ontslag door de werkgever tijdens de periode van bescherming wordt gelijkgesteld elke handeling van de werkgever na afloop van deze periode die ertoe strekt eenzijdig een einde te maken aan de dienstbetrekking en waarvoor tijdens deze periode enige voorbereiding werd getroffen. Onder het treffen van enige voorbereiding wordt eveneens begrepen, het nemen van de ontslagbeslissing.
De werkgever draagt de bewijslast van de redenen vreemd aan het verlof. Op verzoek van de werknemer stelt de werkgever hem schriftelijk in kennis van die redenen.
Bij schending van de ontslagbescherming zal de werkgever aan de werknemer een forfaitaire vergoeding betalen welke gelijk is aan het brutoloon voor zes maanden. Die vergoeding kan gecumuleerd worden met de verbrekingsvergoeding.