Binnen ons nationale recht heeft de Grondwet voorrang op de wetten, decreten en ordonnanties. Daarna volgen de koninklijke besluiten en regeringsbesluiten die de wetten en decreten ten uitvoer leggen, en uiteindelijk de ministeriële besluiten en de besluiten van de regeringen van gemeenschappen en gewesten.
In 1994 werden bij de grondwetsherziening voor het eerst sociale grondrechten in de Grondwet opgenomen. Artikel 23 van de Grondwet bepaalt: “Ieder heeft het recht een menswaardig leven te leiden. Daartoe waarborgen de wet, het decreet of de in artikel 134 bedoelde regel, rekening houdend met de overeenkomstige plichten, de economische, sociale en culturele rechten, waarvan ze de voorwaarden voor de uitoefening bepalen.
Die rechten omvatten inzonderheid:
- het recht op arbeid en op de vrije keuze van beroepsarbeid in het raam van een algemeen werkgelegenheidsbeleid dat onder meer gericht is op het waarborgen van een zo hoog en stabiel mogelijk werkgelegenheidspeil, het recht op billijke arbeidsvoorwaarden en een billijke beloning [20], alsmede het recht op informatie, overleg en collectief onderhandelen [21];
- het recht op sociale zekerheid, bescherming van de gezondheid en sociale, geneeskundige en juridische bijstand;
- het recht op een behoorlijke huisvesting;
- het recht op de bescherming van een gezond leefmilieu;
- het recht op culturele en maatschappelijke ontplooiing.”
Deze grondwettelijke bepalingen hebben echter geen directe werking. [22] Een burger kan zich niet op dit artikel beroepen tegen de overheid om hem bijvoorbeeld een passende job aan te bieden. Deze grondwettelijke bepaling geldt eerder als een richtlijn en doelstelling die de verschillende overheden moeten nastreven. De sociale grondrechten bestaan wel, maar geven alleen aanleiding tot verbintenissen als zij op het bevoegde wettelijke niveau geconcretiseerd worden. Bepaalde rechtspraak kent aan werknemers toch het recht toe om zich rechtstreeks op artikel 23 te beroepen om het recht op informatie, overleg en collectief onderhandelen af te dwingen als er geen ondernemingsraad, preventiecomité of vakbondsafvaardiging bestaan. [23]
Niet alleen wees de grondwetgever op de belangrijke opdracht voor de verschillende overheden, hij onderstreepte ook dat de sociale grondrechten automatisch en onafscheidbaar verbonden zijn met de plicht van de burger om mee te werken aan de sociale en economische vooruitgang van de maatschappij waarin hij leeft. [24]